Terug
Gepubliceerd op 03/02/2026

Besluit  Gemeenteraad

ma 02/02/2026 - 20:00

Financiën. Algemeen subsidiereglement.

Aanwezig: Marc De Pessemier, Voorzitter
Marleen Gyselinck, Waarnemend Burgemeester
Bart Morreels, Sabine Hoeckman, Peter Vanderstuyf, Frank Surdiacourt, Schepenen
Peter Bauters, Lien Braeckman, Jan Haegeman, Veronique Lenvain, Sabine Burens, Franky Bogaert, Andre Soetens, Nancy De Geeter, Jens Vande Pontseele, Karo De Jonge, Herwin Geenens, Anouk Vandenhaute, Monia Waelkens, Jeroen Vercruysse, Niels Speleers, Diego Denie, Noël Ternoot, Bartel Seghers, Raadsleden
Bianca De Staercke, Adjunct-Algemeen Directeur
Jürgen De Mets, Algemeen Directeur
Verontschuldigd: Delphine Bogaert, Raadslid

Het opmaken van een algemeen subsidiereglement. Opzet is het bundelen van alle gemeentelijke subsidies in 1 reglement. Dit verhoogt de transparantie naar de burger.

Regelgeving en bevoegdheid

Decreet Lokaal Bestuur, artikel 41, lid 2, 23°.

Feiten, context en argumentatie

In deze versie van het reglement wordt het algemeen subsidiereglement jeugd (GR 3/9/2020) verwerkt en aangepast.

Inhoudstafel

Titel 1 Sociale dienst

Hoofdstuk 1 Subsidie mantelzorg

Hoofdstuk 2 Subsidie pleegzorg

Hoofdstuk 3 Subsidie mindervaliden

Hoofdstuk 4 Subsidie geboorte

Titel 2 Communicatie en evenementen

Hoofdstuk 5 Subsidie buurtfeest

Titel 3 Openbare werken

Hoofdstuk 6 Subsidie gescheiden riolering op privaat domein

Hoofdstuk 7 Subsidie voor de individuele behandeling afvalwater (IBA)

Titel 4 Milieu

Hoofdstuk 8 Subsidie herbruikbare luiers

Hoofdstuk 9 Subsidie hemelwaterinstallatie en/of infiltratievoorziening

Hoofdstuk 10 Aanplant en onderhoud kleine landschapselementen door landbouwers

Hoofdstuk 11 Aanplant en onderhoud kleine landschapselementen door particulieren

Hoofdstuk 12 Milieuzorg door de landbouw

Titel 5 Sport

Hoofdstuk 13 Subsidiereglement scholen

Hoofdstuk 14 Subsidiereglement AED voor voetbalclubs

Titel 6 Jeugd

Hoofdstuk 15 Subsidiereglement speelgoed

Hoofdstuk 16 Subsidies jeugdverenigingen

Titel 7 Lokale economie

Besluit

TITEL 1 SOCIALE DIENST

Hoofdstuk 1 Subsidie mantelzorg

Artikel 1:

§1 Doelstelling

De gemeente Brakel wil het werk waarderen van de mantelzorger die op een intense manier instaat voor de verzorging van een zorgbehoevende persoon, zodat deze zolang mogelijk thuis kan blijven wonen.

De subsidie mantelzorg wordt betaald aan de zorgbehoevende en besteed als ondersteuning van de mantelzorger.

§2 Zorgbehoevende

1° De zorgbehoevende persoon is begunstigde van de gemeentelijke subsidie mantelzorg. Hij of zij vraagt deze subsidie via het aanvraagformulier persoonlijk aan en ontvangt zelf de subsidie mantelzorg via zijn of haar persoonlijk bankrekeningnummer

2° De zorgbehoevende voldoet aan onderstaande voorwaarden:

    1. Ingeschreven in het bevolkingsregister van Brakel en thuis verblijven op een adres in de gemeente Brakel.
    2. Minimum 18 jaar oud
    3. Heeft geen recht op (verhoogde) groeipakket of persoonlijke assistenbudget
    4. Heeft op een schaal van zelfredzaamheid een belrai-score –van minstens 5/12 voor ADL en IADL of minstens 12/30 op de hele belrai-screener of een attest van FOD sociale zekerheid met een beperkte zelfredzaamheidscore van 12-14 punten.
    5. Komt niet in aanmerking voor het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden.

De zorgbehoevende verbindt zich ertoe elke wijziging in zijn/haar situatie onmiddellijk door te geven.

3° Het referentiejaar is het jaar waarin de prestaties door de mantelzorger zijn uitgevoerd en waarvoor de mantelzorgpremie wordt aangevraagd.

§ 3 Mantelzorger

1° De mantelzorger is meerderjarig.

2° Op vrijwillige en regelmatige basis en op een niet beroepsmatige wijze aanvullende zorg verlenen aan een zorgbehoevende overeenkomstig §2 van dit artikel.

§4 Aanvraagprocedure

1° Het aanvraagformulier dient volledig ingevuld en ondertekend te zijn door de zorgbehoevende en mantelzorger en met onderstaande bewijsstukken:

    1. Een geldig officieel attest dat de zorgbehoefte aantoont:
    • een attest van indicatiestelling waaruit blijkt dat de zorgbehoevende een graad van zorgbehoevendheid scoort van minstens 5/12 voor ADL en IADL of minstens 12/30 voor de hele belrai-screener.
    • een medisch attest afgeleverd door de FOD Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de zorgbehoevende een verminderde zelfredzaamheid heeft tussen de 12 en 14 punten.

2. Een attest van de zorgkas met vermelding dat er vanuit de Vlaamse Zorgverzekering GEEN tussenkomst wordt verleend.

Voornoemde attesten kunnen afgeleverd worden door de sociale dienst van mutualiteiten en de erkende diensten voor gezinszorg. Een attest afgeleverd door de huisarts, is niet geldig.

2° Aanvragen

De aanvragen voor de subsidie mantelzorg worden tegen uiterlijk 1 april van het daaropvolgende jaar overgemaakt aan de gemeente Brakel. Na onderzoek en behandeling door het college van burgemeester en schepenen worden de goedgekeurde aanvragen uitbetaald voor 1 juli van het aanvraagjaar op het persoonlijk bankrekeningnummer van de zorgbehoevende.

§5  Bedrag

De subsidie bedraagt 250 euro per goedgekeurde aanvraag.

Er kan slechts 1 aanvraag per referentiejaar per zorgbehoevende worden aangevraagd.

Hoofdstuk 2 Subsidie pleegzorg

Artikel 2

§1 Onder “pleeggezin” wordt begrepen één of meerdere volwassenen die in het kader van pleegzorg een jongere opvangen tot en met 18 jaar of zolang het groeipakket uitbetaald wordt, binnen een hulpverleningskader en mits een erkenning door Pleegzorg Vlaanderen.

§2 Het pleeggezin, gedomicilieerd te Brakel en aangesloten bij Pleegzorg Vlaanderen als koepelorganisatie van de erkende diensten voor pleegzorg in Vlaanderen,  moet voldoen aan de voorwaarden en volgt de aanvraagprocedure beschreven in de artikelen 3 tot en met 4.

§3 Pleeggezinnen kunnen jaarlijks aanspraak maken op een subsidie pleegzorgt. Deze subsidie bedraagt 120 EUR per pleegkind dat het afgelopen jaar minimum 6 maanden aan het gezin was toevertrouwd. De maximum subsidie per gezin bedraagt 3 x 120 EUR per jaar, ook al vangt het pleeggezin meer dan 3 kinderen op. Het bewijs van domiciliëring, geleverd aan de hand van een attest van gezinssamenstelling, evenals een attest afgeleverd door de begeleidende dienst voor pleegzorg, vormen de basis van de aanvraag. Als de jongere ouder is dan 18 jaar wordt ook een bewijs van groeipakket afgeleverd.

§4 Pleeggezinnen woonachtig in Brakel dienen hun aanvraag tot subsidie pleegzorg digitaal, aan de hand van een ingevuld standaardformulier op www.brakel.be en vergezeld van de nodige bewijsstukken. De bewijslast van het dossier ligt bij het pleeggezin. Aanvragen voor een subsidie worden ingediend tegen uiterlijk 31 maart voor de pleegzorg van het voorafgaande kalenderjaar.

Hoofdstuk 3 Subsidie mindervaliden

Artikel 3

§1 Aan de moeders of de personen die de opvoeding en de verzorging van een mindervalide op zich nemen, wordt vanaf 2010 een jaarlijkse toelage verleend, als compensatie voor de bijzondere zorgen die dergelijke persoon vereist.

§2 Om deze toelage te kunnen genieten, moeten de rechthebbenden op deze toelage gedurende het ganse jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de toelage wordt verleend, hun woon- en verblijfplaats hebben in de gemeente en tevens: - voor de mindervalide beneden de 21 jaar, verhoogde kinderbijslag genieten; - voor de mindervalide boven de 21 jaar, genieten van een integratie- en inkomensvervangende tegemoetkoming vanwege het Ministerie van Sociale Voorzorg, met uitsluiting van alle andere sociale uitkeringen.

§3 Het bedrag van deze toelage wordt vastgesteld op : - € 298,00 per mindervalide en per jaar, indien deze thuis verzorgd wordt; - € 149,00 per mindervalide en per jaar, indien deze persoon in een gespecialiseerde instelling is geplaatst en aangepast onderwijs volgt, en gedurende de weekends en verlofdagen thuis verzorgd wordt. Voor het vaststellen van het bedrag wordt de toestand in aanmerking genomen, zoals hij zich voordeed op 1 januari van het jaar waarvoor de toelage wordt toegekend.

§4 De rechthebbende op deze toelage dienen, in de loop van het jaar, hun aanvraag schriftelijk in bij het gemeentebestuur, op de daartoe ter beschikking gesteld formulier. Bij deze aanvraag dient het bewijs gevoegd: - ofwel van verhoogde kinderbijslag - ofwel van het genieten van een integratie- en inkomensvervangende tegemoetkoming vanwege het Ministerie van Sociale Voorzorg

Hoofdstuk 4 Subsidie geboorte

Artikel 4

§1 Met ingang van 1 augustus 2014 wordt ten laste van de gemeentekas een geboortepremie toegekend aan de moeders die op het ogenblik van de bevalling hun gewone verblijfplaats in de gemeente hebben.

§2 Met ingang van 1 januari 2014 wordt een adoptiepremie toegekend aan de adoptant, van een kind jonger dan 18 jaar, die op het ogenblik van de adoptie zijn gewone verblijfplaats heeft in de gemeente. De adoptie zal blijken uit de overschrijving van de adoptie in de registers van de burgerlijke stand of uit een vonnis van de bevoegde rechtbank.

§3 De geboortepremie en de adoptiepremie worden vastgesteld op 75,00 euro en wordt door middel van een Brakelse geschenkbon uitbetaald

TITEL 2 COMMUNICATIE EN EVENEMENTEN 

Hoofdstuk 5 Subsidie buurtfeest

Artikel 5

§1 Binnen de beperkingen van de begrotingskredieten en onder de voorwaarden hierna bepaald, kan door het college van burgemeester en schepenen een subsidie toegekend worden aan buurtcomités die een buurtfeest inrichten.

§2 Buurtfeesten hebben als opzet een buurt, wijk of plein leefbaarder te maken door de organisatie van een wijk-, buurt- of straatfeest.

§3 Onder buurtfeest wordt verstaan een feest georganiseerd voor één of meerdere straten, een plein of een wijk.

Onder buurtcomité wordt verstaan: elke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid van twee of meer personen, woonachtig in de desbetreffende buurt, die in onderling overleg een activiteit organiseren met het oog op de verwezenlijking van een onbaatzuchtige doelstelling, met uitsluiting van enige winstverdeling onder haar leden en bestuurders, en die een rechtstreekse controle uitoefenen op de werking van de vereniging".

§4 Bij elk buurtfeest dienen minstens 10 gezinnen of 25 personen betrokken te zijn om in aanmerking te komen voor de subsidie.

§5 Uitgesloten zijn activiteiten met winstoogmerk, wijkoverstijgende evenementen, privéfeesten, schoolfeesten, familiefeesten, het louter organiseren van eetfestijnen, activiteiten in de directe omgeving van en op het tijdstip van een plaatselijke kermis en feesten met een religieus, filosofisch, promotioneel, politiek of commercieel karakter.

§6 Deze subsidie kan enkel door buurtcomités aangevraagd worden.

§7 Het buurtfeest wordt georganiseerd door inwoners van de gemeente Brakel voor een buurtfeest op het grondgebied van de gemeente Brakel. Daarbij dienen de initiatiefnemende aanvragers van deze subsidie in de desbetreffende straat, buurt of wijk te wonen.

§8 De aanvraag gebeurt door twee volwassen initiatiefnemers van twee verschillende gezinnen (zonder familieband) die in de betrokken straat, wijk of buurt wonen. §4 Het buurtfeest richt zich minstens tot alle inwoners van een straat, wijk of buurt. Daarnaast moeten al deze inwoners schriftelijk op de hoogte gesteld worden en iedereen van deze straat, wijk of buurt moet de mogelijkheid krijgen om aan de activiteiten deel te nemen.

§9 Elk buurtcomité komt slechts éénmaal per kalenderjaar in aanmerking voor deze toelage.

§10 Er kan ook slechts éénmaal per jaar een toelage toegekend worden voor de organisatie van een buurfeest in de desbetreffende wijk, buurt of straat.

§11 Deze toelage mag niet gecumuleerd worden met een andere toelage vanwege de gemeente Brakel of haar adviesraden voor hetzelfde evenement.

§12 De aanvraag voor een toelage moet ingediend en ondertekend worden door de voorzitter en de secretaris van het buurtcomité of door twee verantwoordelijken uit de desbetreffende buurt, wijk of plein.

§13 Bij de aanvraag voor een toelage zal ook een kopie worden gevoegd van de vooraf gevoerde communicatie rond dit buurtfeest (uitnodiging inwoners, affiches, flyers, website,…). §3 Bij de aanvraag zal een adreslijst worden gevoegd van de personen die aangeschreven werden.

§14 De initiatiefnemers verbinden zich ertoe de heersende regelgeving (politieverordening, SABAM, billijke vergoeding, taksen, verzekering, enz.) te respecteren en zijn hiervoor zelf verantwoordelijk.

§15 Het college van burgemeester en schepenen bepaalt binnen een maand na de aanvraag van de subsidie of het initiatief in aanmerking komt voor een subsidie. Het college kan de initiatiefnemers steeds om verduidelijking vragen.

§16 De subsidie bedraagt per goedgekeurd buurtfeest 125 euro en wordt door middel van een Brakelse geschenkbon uitbetaald. Deze bon kan bij alle deelnemende handelaars worden gebruikt.

§17 De subsidie kan aangewend worden om basisorganisatiekosten te dragen: kosten voor promotie, animatie, versiering, huur materiaal (met uitzondering van gemeentelijk materiaal), verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid (BA), SABAM, billijke vergoeding en spijzen en dranken.

§18 Met het oog op de uitbetaling van de toelage van het buurtfeest dienen bij de aanvraag van de toelage de nodige bewijsstukken binnengebracht te worden:

1° financiële afrekening

2° kopie van de facturen, rekeningen, onkostenstaten,… voor de gemaakte onkosten

3° vijf sfeerfoto’s gemaakt tijdens het buurtfeest.

§19 De toelage kan nooit meer bedragen dan de werkelijk gemaakte onkosten voor de organisatie van dit buurtfeest.

§20 Bij de aanvraag moet een bewijs worden gevoegd waarin de besteding van de aangevraagde toelage wordt bepaald.

§21 De aanvraag vermeldt tevens het rekeningnummer waarop de storting kan gebeuren en de naam van de persoon op wiens naam de rekening werd geopend.

§22: Indien blijkt dat onjuiste gegevens werden meegedeeld, of dat de subsidie niet werd gebruikt waarvoor ze initieel bedoeld is, dan wordt deze niet uitbetaald. Indien de subsidie reeds betaald is, dan kan deze ten allen tijde worden teruggevorderd.

§23: Elke mogelijke betwisting omtrent de toepassing van het reglement wordt beslist door het college van burgemeester en schepenen.

§24: De aanvraag tot het verkrijgen van een financiële toelage dient binnen de 4 maanden na de eigenlijke organisatie te gebeuren. 

TITEL 3 OPENBARE WERKEN

Hoofdstuk 6 Subsidie gescheiden riolering op privaat domein

Artikel 6

§1 Aan de eigenaars van gebouwen waarvan de stedenbouwkundige vergunning dateert van voor 1 oktober 1999 en welke afkoppelingswerken uitvoeren, wordt een subsidie verleend ten bedrage van 50% van de aanvaarde kosten inclusief btw en met een maximum van 1.500 EUR en dit onder volgende voorwaarden:

1° de eigenaar moet geldige facturen van de werken en/of materialen voorleggen

2° de afkoppelingswerken worden uitgevoerd ingevolge de uitvoering van rioleringswerken in de voorliggende weg

3° de werken worden uitgevoerd in overeenstemming met het afkoppelingsplan opgemaakt door de TMVW-AquaRio

4° de eigenaar verleent toestemming om de werken te controleren en op te meten

5° de premie wordt enkel uitbetaald na goedkeuring door de TMVW-AquaRio van de uitgevoerde werken

Hoofdstuk 7 Subsidie voor de individuele behandeling afvalwater (IBA)

Artikel 7

§1 Definities

1° Afvalwater: water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, met uitzondering van niet verontreinigd hemelwater.

2° Hemelwater: verzamelnaam voor regen, sneeuw en hagel, met inbegrip van dooiwater

3° Huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat enkel bestaat uit water afkomstig van:

a) normale huishoudelijke activiteiten

b) sanitaire installaties

c) keukens

d) het reinigen van gebouwen zoals woningen, kantoren, plaatsen waar groot- of kleinhandel wordt gedreven, zalen voor vertoningen, kazernen, kampeerterreinen, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, klinieken, hospitalen en andere inrichtingen waar niet besmettelijke zieken opgenomen en verzorgd worden, zwembaden, hotels, restaurants, drankgelegenheden, kapsalons

e) afvalwater afkomstig van wassalons, waar de toestellen uitsluitend door het cliënteel zelf worden bediend

4° gewone oppervlaktewateren: alle oppervlaktewateren met uitzondering van de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater en de openluchtgreppels, behorend tot de openbare riolering

5° Openbare riolering: het geheel van openbare leidingen en openluchtgreppels bestemd voor het opvangen en transporteren van afvalwater

6° centraal gebied: een geheel bestaande uit een operationele openbare afvalzuiveringsinstallatie, het stelsel van de openbare rioleringen en collectoren die ermee verbonden zijn, alsook de zone van 50 meter gelegen rondom dit stelsel

7° collectief te optimaliseren buitengebied: de zone van 50 meter gelegen rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren waarvan de aansluiting op een operationele openbare afvalzuiveringsinstallatie is gepland op basis van

a) het investeringsprogramma bedoeld in artikel 32 octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging

b) het investeringsprogramma bedoeld in artikel 32 duodecies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging

8° individueel te zuiveren buitengebied: het gedeelte van het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat niet valt onder §1,6° en 7° van dit reglement

9° Kunstmatige afvoerweg voor hemelwater: de greppels, grachten, duikers en leidingen bestemd voor het afvoeren van hemelwater, bodemwater, grondwater, bemalingswater en desgevallend ook afvalwater, behandeld conform de van toepassing zijnde wetgeving

10° Individuele voorbehandelingsinstallatie: septische putten of gelijkaardige inrichtingen voor de voorbehandeling van normaal huisafvalwater ter verwijdering van vetstoffen, bezinkbare en drijvende stoffen.

§2 Een gemeentelijke premie voor de bouw van individuele behandeling afvalwater wordt verleend onder volgende voorwaarden:

1° Het betreft de sanering van huishoudelijk afvalwater afkomstig van uitsluitend voor bewoning diende gebouwen

2° Het betreft een installatie bij een woning in de zone overeenkomstig §1, 8° van dit reglement en dit overeenkomstig op het moment van kracht zijnde zoneringsplan van de gemeente Brakel.

3° De individuele behandeling van afvalwater is geplaatst door TMVW/Farys en wordt onderhouden door TMVW/Farys. De eigenaar zal geen vrijstelling van de saneringsbijdrage of saneringsvergoeding kunnen aanvragen vermits dit dient om het onderhoud van de installatie te bekostigen.

§3 Teneinde een gemeentelijke premie te bekomen dient volgende procedure in acht genomen te worden. De gemeentelijke premie (evenals de premie vanwege de VMM) wordt direct in mindering gebracht van de offerte en de factuur. De gemeentelijke premie wordt uit de AquaRio-enveloppe van Brakel genomen.

§4 Premiebedrag

De gemeentelijke premie is éénmalig en bestaat uit een vast gedeelte van € 2250 en een variabel gedeelte die 50% bedraagt van de bewezen kosten levering/plaatsing van de installatie, exclusief kosten voedingskabel elektriciteit en voor scheiden van afvalwater en hemelwater met een maximum van 1.500 euro. De kosten voor scheiden van afvalwater en hemelwater kunnen evenwel in aanmerking komen voor de gemeentelijke afkoppelingssubsidies.

§5 Deze premie is van toepassing op alle “Individuele behandeling afvalwater” die aangevraagd worden vanaf 18 december 2017 en dit tot en met de uiterlijke datum vastgelegd door de VMM.

TITEL 4 MILIEU

Hoofdstuk 8 Subsidie herbruikbare luiers

Artikel 8

§1 Er wordt een subsidie toegekend voor de aankoop of huur van een pakket voorgevormde herbruikbare luiers met bijhorende benodigdheden volgens de voorwaarden die hierna worden vastgelegd.

§2 Om deze subsidie te ontvangen moet de vader, moeder of wettelijke voogd een aanvraagformulier indienen met daarbij een aankoop- of huurbewijs op naam en met vermelding van de factuurprijs.

§3 De subsidie bedraagt de helft van de factuurprijs met een maximum van 100 euro per kind en maximum 50% van de bewezen kosten.

§4 Gezinnen en alleenstaanden, ingeschreven in het gemeentelijk bevolkingsregister, met kinderen tot drie jaar komen in aanmerking voor de subsidie.

§5 De subsidie wordt ingediend voor de derde verjaardag van het kind bij de gemeentelijke milieudienst.

§6 Deze beslissing heeft betrekking op aankoop en huur van luiers vanaf 1 januari 2006.

Hoofdstuk 9 Subsidie hemelwaterinstallatie en/of infiltratievoorziening

Artikel 9

§1 Definities

1° horizontale dakoppervlakte de oppervlakte van de projectie van de buitenafmetingen van het dak op een horizontaal vlak

2° hemelwater verzamelnaam voor regen, sneeuw en hagel, met inbegrip van dooiwater

3° hemelwaterput / hemelwaterreservoir reservoir voor het opvangen en stockeren van hemelwater

4° hemelwaterinstallatie het geheel van hemelwaterput met eventueel bijhorend leiding- en pompsysteem, filter enz. met het oog op hergebruik van hemelwater

5° infiltratie het doorsijpelen van hemelwater in de bodem

6° infiltratievoorziening een buffervoorziening waarbij de vertraagde afvoer gebeurt door infiltratie

7° gewestelijke stedenbouwkundige verordening het besluit van de Vlaamse regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater

8° gebouw vergunde woning of vergund lokaal

9° lokaal vergund gebouw waarvan een vereniging gebruikt maakt voor haar activiteiten

10° ‘bestaande’ woning woning waarvoor een bouwvergunning werd verkregen vóór 7 september 1999, d.w.z. 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad van de algemene bouwverordening inzake hemelwaterputten

11° verbouwing een bouwproject waarbij 60% of meer van de buitenmuren wordt behouden

12° herbouw een bouwproject waarbij minder dan 60% van de buitenmuren wordt behouden

§2 Binnen de perken van de jaarlijks op de begroting voorziene en goedgekeurde kredieten, verleent het college van burgemeester en schepenen voor een bestaand gebouw of bij verbouwing van een bestaand gebouw, een subsidie voor de aanleg van een hemelwaterinstallatie en/of infiltratievoorziening. Deze hemelwaterinstallatie en infiltratievoorziening moet voldoen aan de voorwaarden in §2 van dit artikel

§3 De hemelwaterinstallatie en de infiltratievoorziening dienen te voldoen aan de richtlijnen zoals deze bepaald zijn in ‘Krachtlijnen voor een geïntegreerd rioleringsbeleid in Vlaanderen’, meer bepaald de ‘code van goede praktijk voor hemelwaterputten in infiltratievoorzieningen’ en in tweede instantie aan de technische voorwaarden van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten e.a. (5 juli 2013). De belangrijkste voorwaarden die hierin vervat zitten zijn in de volgende twee artikelen opgenomen:

§4 Hemelwaterinstallaties

1° Het volume bedraagt 50l per vierkante meter horizontale dakoppervlakte afgerond naar het hogere duizendtal, met een minimum van 5000 l en een maximum van 10000l, tenzij gemotiveerd aangetoond kan worden dat een groter nuttig hergebruik mogelijk is of zal zijn.

2° De volledige dakoppervlakte is aangesloten op de hemelwaterput. Een subsidie bij een onvolledig aangesloten dakoppervlakte is slechts toegestaan mits grondige motivering.

3° De hemelwaterputten worden uitgerust met een operationele pompinstallatie en een of meerdere aftappunten die het gebruik van het opgevangen hemelwater mogelijk maken, tenzij de aftappunten gravitair gevoed kunnen worden.

4° Er mag geen directe verbinding gecreëerd worden tussen het drinkwaternet en het leidingennet aangesloten op de hemelwaterput. Hiertoe dient de hemelwaterput met drinkwater bijgevuld te worden door middel van een bijvulsysteem met onderbreking overeenkomstig de code van goede praktijk, ofwel dient een afzonderlijk leidingencircuit voorzien te worden voor hemelwater en drinkwater.

5° De overloop van de hemelwaterput wordt bij voorkeur aangesloten op een infiltratievoorziening op eigen terrein.

6° De overloop kan ook aangesloten worden op een openbare infiltratievoorziening, een waterloop, gracht of een ander oppervlaktewater. Wanneer deze afvoermogelijkheden niet aanwezig zijn of aansluiting hierop niet haalbaar is, mag de overloop van de hemelwaterput aangesloten worden op het gedeelte van de openbare riolering bestemd voor de afvoer van hemelwater. Als er geen openbare riolering bestemd voor afvoer van hemelwater aanwezig is, mag het hemelwater op de gemengde openbare riolering aangesloten worden. Wel moeten tot aan het lozingspunt op de openbare ruilering het hemelwater en afvalwater gescheiden worden.

§5 Infiltratievoorzieningen

1° De infiltratieoppervlakte van de infiltratievoorziening bedraagt minimaal 4 vierkante meter per 100 vierkante meter afwaterende oppervlakte. Het buffervolume van de infiltratievoorziening bedraagt minimaal 25l per vierkante meter afwaterende oppervlakte.

2° De afwaterende oppervlakte is de som van:

    1. De verharde grondoppervlakten die nieuw aangelegd of heraangelegd worden;
    2. Een deel van of in voorkomend geval de volledige bestaande verharde grondoppervlakte voor zover deze nog niet is aangesloten op een hemelwaterput, infiltratievoorziening of buffervoorziening;
    3. Een deel van of in voorkomend geval de volledige horizontale dakoppervlakte van de bestaande constructie waar tegenaan gebouwd wordt voor zover deze nog niet is aangesloten op een hemelwaterput, infiltratievoorziening of buffervoorziening.

§6 Een afschrift van de facturen dient door de bouwheer voorgelegd te worden.

§7 De subsidie voor de aanleg van een hemelwaterinstallatie bij bestaande woningen of bij verbouwing bedraagt 250 euro.

§8 De subsidie voor de aanleg van een infiltratievoorziening bedraagt 250 euro.

§9 Controle

Vooraleer over te gaan tot de uitbetaling van de subsidie zal een door de gemeente gemachtigde instantie of ambtenaar zich ervan vergewissen dat aan de voorwaarden van het subsidiereglement voldaan is. Blijken deze voorwaarden niet nageleefd, dan zal de subsidie niet uitgekeerd worden. Het is de eigenaar op alle momenten toegestaan om de nodige aanpassingen door te voeren om alsnog voor de subsidie in aanmerking te komen.

§10 Aanvraag tot subsidie

De aanvraag tot het bekomen van een subsidie wordt bij voorkeur ingediend vóór de aanleg van de installatie. De aanvrager kan voor vragen over de aanleg van installaties en infiltratievoorzieningen terecht op de milieudienst.

§11 De subsidie wordt aan de eigenaar, gebruiker of huurder (mits toestemming van de eigenaar) van een gebouw gelegen op het grondgebied van Brakel slechts éénmalig toegekend. 

Hoofdstuk 10 Aanplant en onderhoud kleine landschapselementen door landbouwers

Artikel 10

§1 Het gemeentebestuur van Brakel heeft beslist om een toelage uit te keren, voor landbouwers, binnen de perken van de daartoe op de begroting voorziene middelen, voor de aanplant en het onderhoud van landschappelijk waardevolle punt- en lijnvormige landschapselementen, bepaald in artikel 42 en niet-subsidieerbaar via het POP, om zo de aantrekkelijkheid van de landelijke omgeving te verhogen.

§2 : Definities:

1° lijnvormig landschapselement: een langwerpig, niet perceelsvormend landschapselement dat een landschapsstructurerende invloed heeft en voor een groot deel bestaat uit houtige gewassen.

2° puntvormig landschapselement: solitaire (alleenstaande) knot- en hoogstambomen, amfibieënpoelen.

3° haag: een lijnvormige aanplanting van houtige gewassen die onderaan zodanig aaneensluiten dat visuele en fysieke penetratie moeilijk is. Er zijn in de Vlaamse Ardennen drie enkelvoudige types hagen: geschoren hagen, heggen en kaphagen.

    1. geschoren haag: haag die in vorm wordt gehouden met een snoeischaar; de haag wordt geschoren en/of geknipt.
    2. heg: dit is een haag die al dan niet door verwaarlozing breder en/of hoger uitgegroeid is. Een heg komt NIET in aanmerking voor subsidie via onderhavig reglement.
    3. kaphaag: haag die bestaat uit lage, dicht op elkaar staande knotbomen van vooral Gewone es of Haagbeuk. De kaphoogte bedraagt slechts 150 à 200 cm en de plantafstand slechts 30 à 150 cm. Kaphagen worden gebruikt als afsluiting van erven, tuinen, boomgaarden en weiden in de onmiddellijke buurt van erven.

4° bomenrij: lijnvormig landschapselement bestaande uit opgaande bomen en/of knotbomen, die zo ver uit elkaar staan dat visuele en/of fysieke penetratie amper wordt gehinderd. Er zijn twee enkelvoudige types van bomenrijen: opgaande bomenrijen en knotbomenrijen.

    1. opgaande bomenrij: bomenrij die bestaat uit opgaande bomen.
    2. knotbomenrij: bomenrij die bestaat uit knotbomen met een knothoogte groter dan 200 cm en een plantafstand groter dan 150 cm.

5° hoogstammige fruitbomen en boomgaard: groepering van minstens 2 hoogstammige fruitbomen met een stamhoogte van minstens 2 meter en met een stamomtrek van 6 tot 8 cm.

6° mengvorm: lijnvormig landschapselement dat een mengvorm is tussen verschillende hierboven gedefinieerde types. Als gevolg van de drievoudige gelaagdheid zijn geschoren hagen en houtkanten, ingeplant met opgaande bomen en knotbomen, vanuit ecologisch standpunt de interessantste.

7° vellen of rooien: vellen is het omhakken of omzagen; rooien is vellen met verwijdering van het wortelgestel. Hieronder wordt ook verstaan het schade toebrengen of verminken of vernietigen door ondermeer ringen, ontschorsen, verschroeien, gebruik van chemische middelen, inkervingen en benagelen; rooien of vellen is niet het langs weiden of akkers bevestigen van afsluitdraden aan lijnvormige landschapselementen door middel vankrammen en dergelijke, om percelen af te bakenen, voor zover deze landschapselementen effectief deel uitmaken van de afsluiting. 8. landelijk gebied: gebieden die op het gewestplan staan aangeduid als agrarisch gebied (met inbegrip van het ecologisch en het landschappelijk waardevol agrarisch gebied), bosgebied, natuurgebieden, natuurreservaten, parkgebieden, vallei-brongebieden.

§3 De toelage heeft betrekking op punt- en lijnvormige landschapselementen die gelegen zijn binnen of grenzend aan het landelijk gebied of grenzend aan percelen met een agrarisch bodemgebruik (akkers, weiland, boomgaarden) met uitzondering van de vijftig meterzone bij bebouwde percelen.

§4 Enkel streekeigen beplantingen opgenomen in bijlage 1 komen in aanmerking voor betoelaging.

§5 De betoelaagde aanplanting dient minimum gedurende 10 jaar integraal en intact op dezelfde plaats te blijven staan. Het verplaatsen, vellen, rooien of definitief verwijderen van het betoelaagde plantsoen is niet toegestaan.

§6 Het plantsoen dat gebruikt wordt moet de volgende minimale afmetingen hebben: - 40 tot 60 cm hoogte voor bosplantsoen en heesters - 6 tot 8 cm stamomtrek bij hoogstammige bomen

§7 De aanplanting dient uitgevoerd te worden conform alle bestaande wetten, reglementen en gebruiken op dergelijke aanplantingen (vaste en erkende gebruiken, veldwetboek, pachtwet, reglement op de buurtwegen).

§8 De toelage kan enkel worden gebruikt voor het plantsoen; steunpalen, meststoffen, uurlonen... komen niet in aanmerking. Enkel het aangeslagen plantsoen kan worden betoelaagd; het afgestorven plantsoen komt niet in aanmerking.

§9 

1° Op basis van het verslag van de bevoegde gemeentelijke ambtenaar zal het schepencollege al dan niet zijn goedkeuring verlenen tot uitbetaling van de beplantingstoelage.

2° Na toekenning dient de aanvrager zijn plantgoed goed te onderhouden en in stand te houden; hij zal daartoe zorg dragen bij eventuele stoornissen in het groeipatroon, op straffe van terugvordering van de toelage. De poot moet vervangen worden tot hij aanslaat.

§10 Het is de aanvrager niet toegestaan handelingen te verrichten of door derden te laten verrichten die kunnen leiden tot de aantasting van het karakter en de structuur van de landschappelijke waardevolle elementen. Als schadelijke handelingen worden in ieder geval aangemerkt: - het opslaan, storten of bergen van voorwerpen, stoffen of producten in het landschapselement - het geheel of gedeeltelijk afgraven van het landschapselement - het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen langsheen het landschapselement - het verbranden van bermen langs de hagen en het hakhout in de nabijheid van de overige in bijlage vermelde landschapselementen Bij inbreuk dient alle in de loop der jaren uitgekeerde subsidie terugbetaald te worden.

§ 11 De aanvrager zal, eens de aanplant voldoet aan de voorwaarden, beroep kunnen doen op de toelage voor het onderhoud van landschappelijk waardevolle landschapselementen.

§12 Volgende plantvoorschriften moeten gevolgd worden:

1° geschoren haag: 20 tot 33 cm, zo nodig in een dubbele rij, afhankelijk van de gewenste breedte, minimum 25 m lengte

2° kaphaag: 30 tot 150 cm, minimum 50 m lengte

3° opgaande bomenrij: 5 tot 10 meter plantafstand, minimum 50 meter lengte

4° knotbomenrij: 1,5 tot 6 meter plantafstand;

5° boomgaard: afhankelijk van de soort, min. 8 meter plantafstand tussen twee bomen (zie bijlage 2), aanplant van minimum 2 bomen

6° mengvorm: afhankelijk van de gekozen menging, bv. een dichte haag met plantafstand zoals hierboven, om de 5 à 10 meter ingeplant met afwisselend een opgaande boom en een knotboom

§13 De uitbetalingsmodaliteiten voor de aanplant/aanleg zijn:

1° Er wordt uitbetaald na controle van de aanleg door de bevoegde ambtenaar, binnen de zes maanden na de aanplant of aanleg

2° De toelage bedraagt:

    1. voor hagen: voor bosplantsoen € 1/m
    2. voor opgaande bomen en hoogstammige fruitbomen: € 6,5 per stuk
    3. voor knotbomen: € 2,5 per stuk (met een minimum van 5 stuks)

3° De toelage kan maximaal 125 € per aanvrager/jaar bedragen.

§14 De landschapselementen komen slechts in aanmerking voor een onderhoudssubsidie als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:

1° geschoren hagen: minimale lengte van 25 m minimale hoogte van 1,25 m minimale breedte van 50 cm minstens 3 jaar oud

2° kaphagen: minimale lengte van 50 m minimale hoogte van 1,50 m minstens 6 jaar oud

3° knotbomen: minstens 3 jaar oud zijn minimale lengte is 50 m 4. hoogstammige fruitbomen en boomgaarden: minstens 3 jaar oud zijn

§15 Het onderhoud zal bestaan uit:

1° wat geschoren hagen betreft: (twee)jaarlijks in de periode tussen oktober en maart de hagen snoeien, scheren of knippen. Er zal bij het ontstaan van gaten in de hagen zorg gedragen worden dat deze gaten opgevuld worden met soorten waaruit de haag is opgebouwd.

2° wat kaphagen betreft: om de 3 tot 20 jaar tussen november en maart.

3° wat knotbomen betreft: om de 5 tot 15 jaar in de periode tussen 1 november en 1 maart hakhoutbeheer toepassen.

4° wat hoogstammige fruitbomen en boomgaarden betreft: in de periode tussen 1 november en 1 maart snoeiwerken uitvoeren.

§16  de subsidies voor onderhoud bedragen:

1° voor hagen: € 2,5 per lopende meter

2° voor kaphagen: € 2,5 per lopende meter

3° voor knotbomen: € 12,5 per boom (voor de eerste knot: 5€)

4° voor opgaande en solitaire bomen: geen onderhoudssubsidie, omdat deze bomen een financieel voordeel opbrengen bij kappen en verkopen.

5° voor hoogstammige fruitbomen en boomgaarden: € 5 per boom

6° voor mengvormen van hagen, of houtkanten met knotbomen of opgaande bomen: cumulatie van de twee

§17  de toelagen voor het onderhoud kunnen slechts uitgekeerd worden met de volgende tussentijd:

1° voor hagen: om de 2 jaar

2° voor kaphagen: om de 3 jaar

3° voor houtkanten: om de 3 jaar

4° voor knotbomen: om de 5 jaar à 15 jaar

5° voor hoogstammige fruitbomen en boomgaarden: om de 3 jaar

§18 De aanvraag voor aanplant en/of onderhoud moet ingediend worden voor 31 maart op het volgende adres: Gemeentebestuur Brakel, dients milieu, Marktplein 1 te Brakel

§19 Het schepencollege beslist of de aanvrager voor de betreffende toelage in aanmerking kan komen.

§20 De aanvraag moet minimaal 1 maand voor de aanvang van de uitvoering van de werken ingediend worden en is enkel geldig voor aanplantingen die geschieden in de periode voor 31 maart. Bij slechte weersomstandigheden, met name bij strenge vorst, kan de termijn met een maand verlengd worden.

§21 De aanvrager dient dadelijk na de aanplanting via het gemeentelijk meldingsformulier schriftelijk aan de gemeente te verklaren dat voldaan is aan de genoemde voorwaarden. Daartoe ontvangt de aanvrager een formulier van controleaanvraag dat volledig moet ingevuld en teruggezonden worden naar bovenstaand adres.

§ 22 De gemeentelijke overheid zal, na het indienen van de controleaanvraag, zelf gaan controleren, tijdens de maanden juli, augustus, september en oktober of de werken uitgevoerd zijn.

§23 De toelagen voor het onderhoud van punt- en lijnvormige kleine landschapselementen kunnen jaarlijks bekomen worden.

§24 Het krediet voor de toelagen zal jaarlijks, indien nodig, op de begroting van de Milieuraad voorzien worden.

§25 Cumulatie van subsidies wordt niet toegestaan; aanleg en/of onderhoud van KLE’s worden niet betoelaagd door dit gemeentelijk subsidiereglement als een hoger bestuursorgaan een subsidie toekent voor dezelfde daad. De Provincie Oost-Vlaanderen geeft subsidies voor het (her)aanleggen en onderhouden van KLE's (knotwilgen en veedrinkpoelen) in gebieden waar door het Provinciebestuur natuurbehoudsprojecten tot ontwikkeling worden gebracht. Ook het Vlaams Gewest geeft bij monde van de Vlaamse Landmaatschappij subsidies in het kader van de Europese Verordening 2078/92 en 1257/99.

Hoofdstuk 11 Aanplant en onderhoud kleine landschapselementen door particulieren

Artikel 11

§1 Het gemeentebestuur van Brakel beslist om een toelage uit te keren, binnen de perken van de daartoe op de begroting voorziene middelen, voor de aanplant en het onderhoud van landschappelijk waardevolle punt- en lijnvormige landschapselementen, bepaald in artikel 2, om zo de aantrekkelijkheid van de landelijke omgeving te verhogen.

§2 Definities:

  1. lijnvormig landschapselement: een langwerpig, niet perceelsvormend landschapselement dat een landschapsstructurerende invloed heeft en voor een groot deel bestaat uit houtige gewassen.
  2. puntvormig landschapselement: solitaire (alleenstaande) knot- en hoogstambomen, amfibieënpoelen.
  3. haag: een lijnvormige aanplanting van houtige gewassen die onderaan zodanig aaneensluiten dat visuele en fysieke penetratie moeilijk is. In de Vlaamse Ardennen zijn drie types enkelvoudige hagen aanwezig:
    1. geschoren haag: haag die in vorm wordt gehouden met een snoeischaar; de haag wordt geschoren en/of geknipt.
    2. heg: dit is een haag die al dan niet door verwaarlozing breder en/of hoger uitgegroeid is.
    3. kaphaag: haag die bestaat uit lage, dicht op elkaar staande knotbomen van vooral Gewone es of Haagbeuk. De kaphoogte bedraagt slechts 150 à 200 cm en de plantafstand slechts 30 à 150 cm. Kaphagen worden gebruikt als afsluiting van erven, tuinen, boomgaarden en weiden in de onmiddellijke buurt van erven.
  4. houtkant: dit is hakhout (houtige gewassen die periodiek bij de grond worden gekapt en terug uitschieten). Houtkanten komen vooral in de volgende situaties voor: gelijkgrondse houtkanten langs beken of grachten en houtkanten op talud. Houtkanten kunnen meerdere meters breed zijn en worden daarom in oppervlakte (of m²) uitgedrukt.
    1. gelijkgrondse houtkant: een houtkant langs één zijde of weerszijden van een beek of gracht die niet of amper op een helling staat.
    2. houtkant op talud: een houtkant die op een duidelijke, niet bewust door de mens opgeworpen helling staat, zoals op steile beekoevers, flanken van holle wegen, al of niet door de mens beïnvloede bermen op perceelsgrenzen.
  5. bomenrij: lijnvormig landschapselement bestaande uit opgaande bomen en/of knotbomen, die zo ver uit elkaar staan dat visuele en/of fysieke penetratie amper wordt gehinderd. Er zijn twee enkelvoudige types van bomenrijen: opgaande bomenrijen en knotbomenrijen.
    1. opgaande bomenrij: bomenrij die bestaat uit opgaande bomen.
    2. knotbomenrij: bomenrij die bestaat uit knotbomen met een knothoogte groter dan 200 cm en een plantafstand groter dan 150 cm.
  6. hoogstammige fruitbomen en boomgaard: groepering van minstens 2 hoogstammige fruitbomen met een stamhoogte van minstens 2 meter en met een stamomtrek van 6 tot 8 cm.
  7. mengvorm: lijnvormig landschapselement dat een mengvorm is tussen verschillende hierboven gedefinieerde types. Als gevolg van de drievoudige gelaagdheid zijn geschoren hagen en houtkanten, ingeplant met opgaande bomen en knotbomen, vanuit ecologisch standpunt de interessantste. 
  8. vellen of rooien: vellen is het omhakken of omzagen; rooien is vellen met verwijdering van het wortelgestel. Hieronder wordt ook verstaan het schade toebrengen of verminken of vernietigen door ondermeer ringen, ontschorsen, verschroeien, gebruik van chemische middelen, inkervingen en benagelen; rooien of vellen is niet het langs weiden of akkers bevestigen van afsluitdraden aan lijnvormige landschapselementen door middel van krammen en dergelijke, om percelen af te bakenen, voor zover deze landschapselementen effectief deel uitmaken van de afsluiting.
  9. amfibieënpoel:
    1. grootte: 25 m² < x < 150 m² wateroppervlakte
    2. diepte: 0.5 m < x < 1.50 m
    3. bezonde oever: een ondiepe waterzone NO/NW gelegen met een wateroppervlakte van minstens 20% van de totale oppervlakte.
    4. bescherming tegen vee: een degelijke afsluiting op 1.5 m afstand van de poel; 25% van de poel mag vrij blijven als drinkplaats voor het vee.
    5. watervoorziening: bestaat uit kwel- en bronwater met inachtname van natuurlijke moerasvegetaties; contact met de sloot is mogelijk en toegestaan.
    6. bodem: bestaat liefst uit een ondoordringbare kleilaag; folies zijn niet toegestaan.
  10. landelijk gebied: gebieden die op het gewestplan staan aangeduid als agrarisch gebied (met inbegrip van het ecologisch en het landschappelijk waardevol agrarisch gebied), bosgebied, natuurgebieden, vallei-brongebieden, natuurreservaten, parkgebieden.

§3 De toelage heeft betrekking op punt- en lijnvormige landschapselementen die gelegen zijn binnen of grenzend aan het landelijk gebied of grenzend aan percelen met een agrarisch bodemgebruik (akkers, weiland, boomgaarden) met uitzondering van de vijftig meterzone bij bebouwde percelen.

§4 Enkel streekeigen beplantingen opgenomen in bijlage 1 komen in aanmerking voor betoelaging.

§5 De betoelaagde aanplanting dient minimum gedurende 10 jaar integraal en intact op dezelfde plaats te blijven staan. Het verplaatsen, vellen, rooien of definitief verwijderen van het betoelaagde plantsoen is niet toegestaan.

§6 Het plantsoen dat gebruikt wordt moet de volgende minimale afmetingen hebben: - 40 tot 60 cm hoogte voor bosplantsoen en heesters - 6 tot 8 cm stamomtrek bij hoogstammige bomen

§7 De aanplanting dient uitgevoerd te worden conform alle bestaande wetten, reglementen en gebruiken op dergelijke aanplantingen (vaste en erkende gebruiken, veldwetboek, pachtwet, reglement op de buurtwegen).

§8 De toelage kan enkel worden gebruikt voor het plantsoen; steunpalen, meststoffen, uurlonen... komen niet in aanmerking. Enkel het aangeslagen plantsoen kan worden betoelaagd; het afgestorven plantsoen komt niet in aanmerking.

§9 Op basis van het verslag van de bevoegde gemeentelijke ambtenaar zal het schepencollege al dan niet zijn goedkeuring verlenen tot uitbetaling van de beplantingstoelage.

§10 Na toekenning dient de aanvrager zijn plantgoed of zijn amfibieënpoel goed te onderhouden en in stand te houden; hij zal daartoe zorg dragen bij eventuele stoornissen in het groeipatroon, op straffe van terugvordering van de toelage. De poot moet vervangen worden tot hij aanslaat.

§11 Het is de aanvrager niet toegestaan handelingen te verrichten of door derden te laten verrichten die kunnen leiden tot de aantasting van het karakter en de structuur van de landschappelijke waardevolle elementen. Als schadelijke handelingen worden in ieder geval aangemerkt: - het opslaan, storten of bergen van voorwerpen, stoffen of producten in het landschapselement - het geheel of gedeeltelijk afgraven van het landschapselement - het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen langsheen het landschapselement - het verbranden van bermen langs de hagen en het hakhout in de nabijheid van de overige in bijlage vermelde landschapselementen Bij inbreuk dient alle in de loop der jaren uitgekeerde subsidie terugbetaald te worden. Art. 12 : De aanvrager zal, eens de aanplant voldoet aan de voorwaarden, beroep kunnen doen op de toelage voor het onderhoud van landschappelijk waardevolle landschapselementen. A

§12 Volgende plantvoorschriften moeten gevolgd worden:

1° geschoren haag: 20 tot 33 cm, zo nodig in een dubbele rij, afhankelijk van de gewenste breedte, minimum 25 m lengte

2° heg: maximaal 200 cm, minimum 50 m lengte

3° kaphaag: 30 tot 150 cm, minimum 50 m lengte - houtkant (gelijkgrondse of op talud): 50 tot 150 cm, in driehoeksverband, het aantal rijen is afhankelijk van de breedte van de berm, maar steeds minimum 2; de aan te planten houtkant dient minimum 150 m² te zijn

4° opgaande bomenrij: 5 tot 10 meter plantafstand, minimum 50 meter lengte

5° knotbomenrij: 1,5 tot 6 meter plantafstand, minimum 50 meter lengte

6° boomgaard: afhankelijk van de soort, min. 8 meter plantafstand tussen twee bomen (zie bijlage 2), aanplant van minimum 2 bomen;

7° mengvorm: afhankelijk van de gekozen menging, bv. een dichte haag met plantafstand zoals hierboven, om de 5 à 10 meter ingeplant met afwisselend een opgaande boom en/of een knotboom

§13  De uitbetalingsmodaliteiten voor de aanplant/aanleg zijn:

Er wordt uitbetaald na controle van de aanleg door de bevoegde ambtenaar, binnen de zes maanden na de aanplant of aanleg De toelage bedraagt:

1° voor hagen: voor bosplantsoen € 1/m

2° voor heggen en kaphagen: € 1/m - voor houtkanten: bosplantsoen € 1,0/m²

3° voor opgaande bomen: € 6,5/stuk - voor knotbomen: € 2,5/stuk met een minimum van 5 stuks

4° voor hoogstammige fruitbomen: € 6,5 per stuk - voor de aanleg van een amfibieënpoel: € 62,5 (als 25 m²< wateroppervlakte =< 50 m²) en € 125 (als wateroppervlakte > 50 m²). De toelage voor aanplant kan maximaal € 125 per aanvrager/jaar bedragen.

§14 De landschapselementen komen slechts in aanmerking voor een onderhoudssubsidie als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:

1°  geschoren hagen:

    1. minimale lengte van 25 m
    2. minimale hoogte van 1,25 m
    3. minimale breedte van 50 cm 
    4. minstens 3 jaar oud

2°  heggen

    1. minimale lengte van 50 m
    2. minimale hoogte van 2,00 m minimale breedte van 100 cm
    3. minstens 6 jaar oud

3° kaphagen:

    1. minimale lengte van 50 m
    2. minimale hoogte van 1,50 m
    3. minstens 6 jaar oud

4° houtkanten:

    1. minstens 150 m² groot
    2. minstens 10 jaar oud zijn

5° knotbomen:

    1. minstens 3 jaar oud zijn
    2. minimale lengte is 50 m

6° hoogstammige fruitbomen en boomgaarden: minstens 3 jaar oud zijn 7. amfibieënpoelen: minstens 5 jaar oud zijn

§15  Het onderhoud zal bestaan uit:

1° wat geschoren hagen betreft: (twee)jaarlijks in de periode tussen oktober en maart de hagen snoeien, scheren of knippen. Er zal bij het ontstaan van gaten in de hagen zorg gedragen worden dat deze gaten opgevuld worden met soorten waaruit de haag is opgebouwd.

2° wat kaphagen en heggen betreft: om de 3 tot 20 jaar tussen november en maart.

    1. wat houtkanten betreft: om de 3 tot 20 jaar in de periode tussen 1 november en 1 maart hakhoutbeheer toepassen en het afkomende hakhout afvoeren.
    2. wat knotbomen betreft: om de 5 tot 15 jaar (afhankelijk van de houtsoort) in de periode tussen 1 november en 1 maart knotten.
    3. wat hoogstammige fruitbomen en boomgaarden betreft: aan te raden is om jaarlijks in de periode tussen 1 november en 1 maart snoeiwerken uit te voeren.
    4. wat hoogstammige/opgaande bomen betreft: deze worden niet betoelaagd, omdat de boom een financieel voordeel opbrengt bij kappen en verkopen.
    5. wat amfibieënpoelen betreft: om dichtgroeiing en verlanding van de poel te vermijden, dient het overtollige slib te worden geruimd in de maanden september/oktober. Een periodieke herhaalde maar beperkte ruiming (bv. jaarlijks) is te verkiezen boven een éénmalige drastische ingreep om de 5 jaar.

§16  de subsidies voor onderhoud bedragen:

1° voor hagen: € 2,5 per lopende meter;

2° voor heggen en kaphagen: € 2,5 per lopende meter

3° voor houtkanten: € 0,7 per m²

4° voor knotbomen: € 12,5 per boom (de eerste knot: € 5)

5° voor hoogstammige fruitbomen: € 5 per boom

6° voor opgaande en solitaire bomen: geen onderhoudssubsidie, omdat de boom een financieel voordeel opbrengt bij kappen en verkopen.

7° voor mengvormen van hagen, heggen of houtkanten met knotbomen of opgaande bomen: cumulatie van de twee

8° voor onderhoud van amfibieënpoelen: € 62,5

§17 De toelagen voor het onderhoud kunnen slechts uitgekeerd worden met de volgende tussentijd:

1° voor hagen: om de 2 jaar

2°voor heggen en kaphagen: om de 3 jaar - voor houtkanten: om de 3 jaar

3° voor knotbomen: om de 5 à 15 jaar, afhankelijk van de boomsoort

4° voor hoogstammige fruitbomen : om de 3 jaar

5° voor poelen: om de 5 jaar

§18 De aanvraag voor aanplant en/of onderhoud moet ingediend worden voor 31 maart op het volgende adres: Gemeentebestuur Brakel, dienst milieu, Marktplein 1 te Brakel.

§19 Het schepencollege beslist of de aanvrager voor de betreffende toelage in aanmerking kan komen.

§20 De aanvraag moet minimaal 1 maand voor de aanvang van de uitvoering van de werken ingediend worden en is enkel geldig voor aanplantingen die geschieden in de periode voor 31 maart. Bij slechte weersomstandigheden, met name bij strenge vorst, kan de termijn met een maand verlengd worden.

§21 De aanvrager dient dadelijk na de aanplanting via het gemeentelijk meldingsformulier schriftelijk aan de gemeente te verklaren dat voldaan is aan de genoemde voorwaarden. Daartoe ontvangt de aanvrager een formulier van controleaanvraag dat volledig moet ingevuld en teruggezonden worden naar bovenstaand adres.

§22 De gemeentelijke overheid zal, na het indienen van de controleaanvraag, zelf gaan controleren, tijdens de maanden juli, augustus, september en oktober of de werken uitgevoerd zijn.

§23 Het krediet voor de toelagen zal jaarlijks, indien nodig, op de begroting van de Milieuraad voorzien worden.

§24 Cumulatie van subsidies wordt niet toegestaan; aanleg en/of onderhoud van KLE’s worden niet betoelaagd door dit gemeentelijk subsidiereglement als een hoger bestuursorgaan een subsidie toekent voor dezelfde daad. De Provincie Oost-Vlaanderen geeft subsidies voor het (her)aanleggen en onderhouden van KLE's (knotwilgen en veedrinkpoelen) in gebieden waar door het Provinciebestuur natuurbehoudsprojecten tot ontwikkeling worden gebracht. Ook het Vlaams Gewest geeft bij monde van de Vlaamse Landmaatschappij subsidies in het kader van de Europese Verordening 2078/92 en 1257/99.

Hoofstuk 12 Milieuzorg door de landbouw

Artikel 12

Grondontleding

§1 Een aanmoedigingspremie van 12,5 euro wordt toegekend aan de landbouwers die een grondontleding laten uitvoeren door erkend laboratorium en dit betreffende geteelde gronden gelegen in Brakel.

Daartoe dient de betrokken landbouwer een aanvraag in vóór 31 december van het jaar dat de grondontleding werd uitgevoerd.

Een landbouwer kan slechts éénmaal per jaar een dergelijke premie voor eenzelfde perceel toegekend worden.

Toepassen groenbemesting

§2 Bij toepassen van groenbemesting door inzaai van een groenbedekker volgens de bijhorende minimaal vereiste hoeveelheid zaaizaad per ha (zie bijgevoegde tabel in bijlage 2) wordt een premie toegekend van 25 euro per hectare.

Voor het verkrijgen van deze premie dient de landbouwer een aanvraag in tot uiterlijk 31 december van het dienstjaar. Deze verklaring bevat een verklaring op eer dat men daadwerkelijk aan groenbemesting doet of zal doen, een opgave per perceel van de kadastrale gegevens en de ingezaaide groenbemester en een afschrift van een factuur waaruit blijkt hoeveel groenbedekker werd ingezaaid ter controle van de minimaal vereiste hoeveelheid zaaizaad per hectare.

De toelage wordt toegekend aan de land- en tuinbouwers, onderworpen aan de land- en tuinbouwtelling, voor gronden die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen en voor maximum 25% van de voor akkerbouw in aanmerking komende teeltgronden gelegen op het grondgebied Brakel. Door het indienen van een aanvraag verklaart de aanvrager zich akkoord met het gebruik van informatie uit de land -en tuinbouwtellingen.

Er zal geen toelage worden toegekend indien de groenbemester wordt ondergewerkt vóór 15 februari van het jaar volgend op de aanvraag.

Het College van burgemeester en schepenen is belast met de uitvoering van dit besluit en kent de toelage toe, op advies van de milieuambtenaar. Bij vaststelling van misbruiken, valse aangifte of verklaring wordt, het betreffend landbouwbedrijf voor een periode van vijf jaar uitgesloten van het recht op alle huidige en/of toekomstige toelagen ten behoeve van de bedrijfssector door de gemeente toegekend.

TITEL 5 SPORT

Hoofdstuk 13 Subsidiereglement scholen

Artikel 13

§1 Binnen de perken van de door de gemeenteraad op het budget goedgekeurde kredieten worden subsidies uitgekeerd aan scholen voor het deelnemen aan de voorgestelde sportactiviteiten.

§2 De subsidiëring van het huidige schooljaar wordt steeds bepaald op basis van de opgenomen gegevens van de school met betrekking tot het voorgaande schooljaar.

§3 De verdeling en bekendmaking van de subsidies vindt plaats voor eind september van het huidige schooljaar.

§4 Een bepaling omtrent sport.

“Activiteiten die individueel of in ploegverband worden beoefend met een competitief of recreatief karakter en waarbij de fysieke inspanning centraal staat”.

§5 De scholen aanvaarden dat de subsidies moeten gebruikt worden voor het doel waarvoor ze zijn toegekend (= aankoop van sportmateriaal).

§6 Indien een school niet deelneemt aan een welbepaald onderdeel/activiteit dan kan de school daar ook geen punten voor krijgen. De kleuterscholen bevatten 3 onderdelen, de lagere scholen bevatten 6 onderdelen en de secundaire scholen bevatten 4 onderdelen.

§7 Een school verdient ook geen punten wanneer er minder dan vijf deelnemers aan een bepaald onderdeel/activiteit deelnemen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat ze niet mogen deelnemen. 

KLEUTERONDERWIJS

1. Sportdagen (sportvoormiddag of -namiddag)

Het gaat hierbij over sportdagen die doorgaan in sporthal “de Rijdt” / zwembad “Poseidon” te Brakel. Dit kunnen sportdagen zijn georganiseerd door de sportdienst ofwel door de leerkracht(en) L.O. van de school zelf.

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal sportdagen (sportvoormiddag of -namiddag) procentueel bekeken ten opzichte van het aantal leerjaren op de school. De plaats die de school dan inneemt stemt overeen met x aantal punten.

Eén sportdag (sportvoormiddag of -namiddag) geldt maximaal voor één leerjaar.

  • Eerste plaats: 10 punten
  • Tweede plaats: 6 punten
  • Derde plaats: 4 punten
  • Vierde plaats: 2 punten

2. Interscholencross (derde kleuterklas)

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal kleuters die effectief deenemen aan de interscholencross. Aangezien elke school niet evenveel kleuters telt wordt er procentueel gekeken (het aantal kleuters die effectief deelnemen aan de interscholencross ten opzichte van het totaal aantal kleuters op de school).

In dit onderdeel zijn het enkel de kleuters van de derde kleuterklas die in acht worden genomen.

  • Eerste plaats: 5 punten
  • Tweede plaats: 3 punten
  • Derde plaats: 2 punten
  • Vierde plaats: 1 punt

3. Project(en) of activiteit(en) van SVS

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal kleuters die effectief deelnemen aan een project/activiteit van SVS. Aangezien elke school niet evenveel kleuters telt wordt er procentueel gekeken (het aantal kleuters die effectief deelnemen aan een project/activiteit van SVS ten opzichte van het totaal aantal kleuters op de school die in aanmerking komen voor dit project/activiteit).

Er worden punten verkregen per project/activiteit van SVS.
Wanneer er dus bijvoorbeeld twee projecten/activiteiten van SVS zijn en je eindigt twee keer eerste dan krijg je 10 punten. Er worden dus aan elk project/activiteit van SVS afzonderlijk punten toegediend.

  • Eerste plaats: 5 punten
  • Tweede plaats: 3 punten
  • Derde plaats: 2 punten
  • Vierde plaats: 1 punt

BASISONDERWIJS

1. Sportdagen

Het gaat hierbij over sportdagen die doorgaan in sporthal “de Rijdt” / zwembad “Poseidon” te Brakel. Dit kunnen sportdagen zijn georganiseerd door de sportdienst ofwel door de leerkracht(en) L.O. van de school zelf.

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal sportdagen procentueel bekeken ten opzichte van het aantal leerjaren op de school.
De plaats die de school dan inneemt stemt overeen met x aantal punten.

Eén sportdag geldt maximaal voor één leerjaar.

  • Eerste plaats: 10 punten
  • Tweede plaats: 6 punten
  • Derde plaats: 4 punten
  • Vierde plaats: 2 punten

2. Sportklassen

Het gaat hierbij over sportklassen die doorgaan in sporthal “de Rijdt” / zwembad “Poseidon” te Brakel. Dit is volledig georganiseerd door de sportdienst zelf.

Mogelijkheden:

  • Volledige week sportklassen: maandag – dinsdag – woensdag – donderdag – vrijdag
  • Halve week sportklassen (A): maandag – dinsdag – woensdag
  • Halve week sportklassen (B): woensdag – donderdag – vrijdag

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal weken sportklassen procentueel bekeken ten opzichte van het aantal leerjaren op de school. De rangschikking die de school dan inneemt stemt overeen met x aantal punten.

  • Eerste plaats: 15 punten
  • Tweede plaats: 10 punten
  • Derde plaats: 5 punten
  • Vierde plaats: 3 punten

3. Interscholencross

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan de interscholencross. Aangezien elke school niet evenveel leerlingen telt wordt er procentueel gekeken (het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan de interscholencross ten opzichte van het totaal aantal leerlingen op de school).

  • Eerste plaats: 10 punten
  • Tweede plaats: 6 punten
  • Derde plaats: 4 punten
  • Vierde plaats: 2 punten

4. Lentewandeling

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal leerlingen die effectief deenemen aan de lentewandeling. Aangezien elke school niet evenveel leerlingen telt wordt er procentueel gekeken (het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan de lentewandeling ten opzichte van het totaal aantal leerlingen op de school).

  • Eerste plaats: 10 punten
  • Tweede plaats: 6 punten
  • Derde plaats: 4 punten
  • Vierde plaats: 2 punten

5. Zwemmeeting

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal leerlingen die effectief deenemen aan de zwemmeeting. Aangezien elke school niet evenveel leerlingen telt wordt er procentueel gekeken (het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan de zwemmeeting ten opzichte van het totaal aantal leerlingen op de school, gerekend vanaf het derde leerjaar tot en met het zesde leerjaar).

  • Eerste plaats: 10 punten
  • Tweede plaats: 6 punten
  • Derde plaats: 4 punten
  • Vierde plaats: 2 punten

6. Projecten/activiteiten van SVS

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan een project/activiteit van SVS. Aangezien elke school niet evenveel leerlingen telt wordt er procentueel gekeken (het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan een project/activiteit van SVS ten opzichte van het totaal aantal leerlingen op de school die in aanmerking komen voor dit project/activiteit).

Er kunnen punten verkregen worden per project/activiteit van SVS.
Wanneer er dus bijvoorbeeld twee projecten/activiteiten van SVS zijn en je eindigt twee keer eerste dan krijg je 10 punten. Er worden dus aan elk project/activiteit van SVS afzonderlijk punten toegediend.

  • Eerste plaats: 5 punten
  • Tweede plaats: 3 punten
  • Derde plaats: 2 punten
  • Vierde plaats: 1 punt

SECUNDAIR ONDERWIJS

1. Sportdagen

Het gaat hierbij over sportdagen die doorgaan in sporthal “de Rijdt” / zwembad “Poseidon” te Brakel. Dit kunnen sportdagen zijn georganiseerd door de sportdienst ofwel door de leerkracht(en) L.O. van de school zelf.

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal sportdagen procentueel bekeken ten opzichte van het aantal leerjaren op de school.
De plaats die de school dan inneemt stemt overeen met x aantal punten.

Eén sportdag geldt maximaal voor één leerjaar.

  • Eerste plaats: 20 punten
  • Tweede plaats: 12 punten
  • Derde plaats: 8 punten
  • Vierde plaats: 4 punten

2. Interscholencross

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal leerlingen die effectief deenemen aan de interscholencross. Aangezien elke school niet evenveel leerlingen telt wordt er procentueel gekeken (het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan de interscholencross ten opzichte van het totaal aantal leerlingen op de school).

  • Eerste plaats: 10 punten
  • Tweede plaats: 6 punten
  • Derde plaats: 4 punten
  • Vierde plaats: 2 punten 

3. Zwemmeeting

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal leerlingen die effectief deenemen aan de zwemmeeting. Aangezien elke school niet evenveel leerlingen telt wordt er procentueel gekeken (het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan de zwemmeeting ten opzichte van het totaal aantal leerlingen op de school).

  • Eerste plaats: 10 punten
  • Tweede plaats: 6 punten
  • Derde plaats: 4 punten
  • Vierde plaats: 2 punten 

4. Projecten/activiteiten van SVS

De rangschikking van de school wordt bepaald door het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan een project/activiteit van SVS. Aangezien elke school niet evenveel leerlingen telt wordt er procentueel gekeken (het aantal leerlingen die effectief deelnemen aan een project/activiteit van SVS ten opzichte van het totaal aantal leerlingen op de school die in aanmerking komen voor dit project/activiteit).

Er kunnen punten verkregen worden per project/activiteit van SVS.
Wanneer er dus bijvoorbeeld twee projecten/activiteiten van SVS zijn en je eindigt twee keer eerste dan krijg je 10 punten. Er worden dus aan elk project/activiteit van SVS afzonderlijk punten toegediend.

  • Eerste plaats: 5 punten
  • Tweede plaats: 3 punten
  • Derde plaats: 2 punten
  • Vierde plaats: 1 punt

Hoofdstuk 14 Subsidiereglement "AED voor voetbalclubs".

Artikel 14 In 2024 wordt een subsidie van 500 euro toegekend aan die voetbalclubs voor elk voetbalterrein op het grondgebied van de gemeente waar een AED geplaatst is. Dit kan alleen voor die AED waarvoor in 2023 nog geen subsidie werd uitbetaald.

TITEL 6 JEUGD

Hoofdstuk 15 Subsidiereglement speelgoed

Artikel 15

§1 Jaarlijks wordt één premie toegekend aan elke zelfstandige onthaalouder van wie de kinderopvang gevestigd is op het grondgebied van de gemeente Brakel en die beschikt over een attest van toezicht van Kind en Gezin dat geldig is voor het jaar waarin de premie wordt aangevraagd.

§2 Jaarlijks wordt één premie toegekend aan elk kinderdagverblijf gevestigd op het grondgebied van de gemeente Brakel en dat beschikt over een erkenning van Kind en Gezin dat geldig is voor het jaar waarin de premie wordt aangevraagd.

§3  Voorwaarden

1° De premie wordt aangevraagd door een zelfstandige onthaalouder van wie de kinderopvang gevestigd is op het grondgebied van de gemeente Brakel en die beschikt over een attest van toezicht van Kind en Gezin dat geldig is voor het jaar waarin de premie wordt aangevraagd.

2° De premie wordt aangevraagd door een kinderdagverblijf op het grondgebied van de gemeente Brakel dat beschikt over een erkenning van Kind en Gezin voor het jaar waarin de premie wordt aangevraagd.

3° De premie bedraagt jaarlijks maximaal 250 euro per zelfstandige onthaalouder of 1500 euro per kinderdagverblijf.

4° De premieaanvraag is uitsluitend geldig op voorlegging van de overeenkomstige aankoopfacturen van het speelgoed en/of materiaal. De facturen moeten betrekking hebben op het jaar van de aanvraag en zijn opgemaakt op naam van de aanvrager van de premie. Het totaalbedrag van de ingediende facturen is minstens gelijk aan het bedrag van de premie

5° De premieaanvraag geldt uitsluitend voor aangekocht speelgoed/materiaal; zowel nieuw als tweedehands

6° De premieaanvraag dient te worden toegestuurd tussen 1 januari en 31 december voor dat jaar en dient gericht aan het College van Burgemeester en Schepenen, t.a.v. de financiële dienst, Marktplein 1, 9660 Brakel.

§4 De premie wordt, na verificatie van de bepalingen van het reglement, uitbetaald voor 31 januari van het jaar volgend op de aanvraag.

§5 In 2024 kunnen die zelfstandige onthaalouders overeenkomstig §1 van dit artikel aan wie in 2023 geen subsidie overeenkomstig artikel 14 is goedgekeurd; twee aanvragen tot subsidie indienen.

Hoofdstuk 16 Subsidie jeugdverenigingen 

Artikel 16

ALGEMENE BEPALINGEN

§1 Om gemeentelijke subsidies te ontvangen moet de Brakelse jeugdvereniging jaarlijks erkend worden door het college van burgemeester en schepenen. De jeugdraad en de jeugddienst brengen hierover telkens de eerste algemene vergadering na 1 september advies uit aan het gemeentebestuur.

§2 Om als jeugdvereniging erkend te worden, moet aan alle onderstaande voorwaarden voldaan zijn:

1° de vereniging is een jeugdvereniging: 60% van het totaal aantal leden moet jonger zijn dan 25 jaar en er moet een minimum zijn van 20 leden

2° de zetel en de lokalen van de vereniging bevinden zich in Brakel

3° minstens 50% van de leden woont in Brakel

4° de vereniging organiseert een of meerdere activiteiten (vergaderingen, voorbereidingsvergaderingen en dergelijke meer worden niet meegerekend) per jaar in Brakel

5° inspraak van jongeren in de organisatie is verzekerd

6° minstens één jaar werking kunnen aantonen

§3 Opstartende verenigingen kunnen een voorlopige erkenning krijgen. Wat het aantal activiteiten betreft, moeten ze aantonen dat ze van plan zijn minstens 8 activiteiten - gespreid over hun werkjaar - te organiseren. Wanneer het volgende werkjaar blijkt dat zij toch niet aan deze voorwaarden voldaan hebben, worden zij niet opnieuw erkend.

§4 Als werkjaar beschouwen we de periode van 1 december van het voorafgaandelijke kalenderjaar tot 30 november van het lopende kalenderjaar.

§5 Na goedkeuring van het college van burgemeester en schepenen kunnen deze subsidies worden uitbetaald.

§6 Het schepencollege heeft het recht om alle verenigingen die een aanvraag tot subsidiëring indienden, op elk ogenblik te inspecteren.

§7 Indien er onjuiste gegevens worden verstrekt of indien de voorwaarden van dit reglement niet worden nageleefd kan het schepencollege de toekenning van de subsidies weigeren.

§8 De reglementen kunnen pas gewijzigd worden na voorlegging voor advies van de voorgestelde wijzigingen aan de gemeentelijke jeugdraad, en indien het advies van deze raad is gegeven binnen de 3 maand nadat het schepencollege erom verzocht heeft.

JEUGDVAKANTIES (7000 euro)

Wie kan worden gesubsidieerd?

§9 Verenigingen voor jeugdvakanties zijn verenigingen die een werking opzetten tijdens de vakantie, door middel van een meerdaags verblijf in een aangepaste omgeving onder gekwalificeerde begeleiding. Hun werking moet gericht zijn op de algehele en harmonische ontplooiing van de deelnemers.

§10 Om in aanmerking te komen voor subsidiëring moeten verenigingen voor jeugdvakanties aan volgende voorwaarden voldoen:

1°  Zij zijn een feitelijke vereniging of een vzw, met zetel of lokaal gevestigd in Brakel of erkend door de gemeentelijke jeugdraad na voorlegging van een attest van de koepelorganisatie of het hoofdbestuur waartoe de vereniging behoort.

2°  De vereniging voor jeugdvakanties moet op onbaatzuchtige wijze de vorming en ontspanning van de jeugd nastreven, hierbij rekening houdend met de sociale, economische en culturele situatie van de deelnemers.

3° Tijdens de hele duur van de jeugdvakantie beschikt de vereniging over minimum 1 gekwalificeerde begeleider, die ten minste 18 jaar oud is.

4°  De duur van de vakantie omvat één of meerdere verblijven van telkens tenminste 4 overnachtingen. De vakanties die hiervoor in aanmerking komen zijn de kerst-, paas-, zomervakantie, krokus- en herfstvakantie.

5° Tijdens de gehele duur van de vakantie participeren aan de activiteiten minimum 10 deelnemers waarvan 2/3 jonger dan 20 jaar.

§11 Het totaal voorziene subsidiebedrag wordt op 1 december van het lopende kalenderjaar verdeeld volgens het puntensysteem vastgelegd in art. 5; de werkingsperiode waarop de puntenberekening van toepassing is, loopt van 1 december van het voorafgaandelijk kalenderjaar tot en met 30 november van het lopende kalenderjaar.

Hoe wordt de subsidie berekend?

§12  De totale toelage voor de verenigingen voor jeugdvakanties wordt door middel van een puntensysteem als volgt berekend:

(het aantal aanwezige Brakelse deelnemers x het aantal overnachtingen) + het aantal aanwezige gekwalificeerde speelbegeleiders x 5 x het aantal overnachtingen)

Het aantal subsidieerbare aanwezige gekwalificeerde speelbegeleiders bedraagt maximum 1 per 6 deelnemers.

§13  Als gekwalificeerde speelbegeleider in de zin van art. 3,4 en 5 van dit reglement worden in aanmerking genomen:

1° De houders van het attest basisvorming jeugdverantwoordelijke toegekend door de Vlaamse overheid

2°  Diegenen die een kadervormingssessie van tenminste 60 uren ter werving van voornoemd attest hebben gevolgd en die tenminste 16 jaar zijn op 1 januari van het jaar waarvoor subsidies worden aangevraagd.

3° Alle begeleiders die tenminste 20 jaar zijn en tenminste 3 jaar nuttige ervaring in het jeugdwerk als animator kunnen aantonen. 

Hoe gebeurt de toekenning?

§14 Ten laatste 30 november moeten volgende gegevens ingediend worden bij het schepencollege:

1°  Periode en plaats van de jeugdvakantie

2°  Deelnemerslijst en de nodige documenten om de kwalificaties van de speelbegeleiders te bewijzen, samen met de het bewijs van verzekering en de kampovereenkomst.

3° Rekeningnummer van de organiserende vereniging.

KADERVORMING (2000 euro)

Wie kan worden gesubsidieerd?

§15 Met kadervorming wordt bedoeld de pedagogische, methodische, algemene of gespecialiseerde vorming van huidige en toekomstige kaderleden, leiding, monitoren, animatoren, stafleden, bestuursleden en vrijwilligers in functie van de begeleiding, vorming, animatie en ondersteuning van jongeren of in functie van de ondersteuning van de jeugdverenigingen.

§16 Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moet het kadervormingsinitiatief georganiseerd worden door een erkende jeugdorganisatie.

§17 Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 2 vormen van subsidiëring:

1° De EHBO - premie: deze premie wordt toegekend aan de organisator van het EHBO-vormingsinitiatief.

2° De deelnamepremie: deze premie wordt toegekend aan de deelnemer van het kadervormingsinitiatief

§18 Om van de deelnamepremie te kunnen genieten dient de deelnemer aan het kadervormingsinitiatief aan de volgende voorwaarden te voldoen:

1° Hetzij wonen in de gemeente Brakel

2° Hetzij actief medewerker zijn van een jeugdorganisatie met zetel in de gemeente Brakel.

Om van de EHBO-premie te kunnen genieten dient de organisator van het EHBO -vormingsinitiatief een Brakelse erkende jeugdorganisatie te zijn.

Hoe gebeurt de aanvraag en toekenning?

§19 De aanvraag tot het bekomen van een deelnamepremie moet schriftelijk gebeuren voor 30 november van het jaar waarin de kadervorming gevolg werd en moet de volgende gegevens bevatten:

1° Naam, adres en geboortedatum van de deelnemer

2°  Gegevens van het kadervormingsinitiatief inclusief de uitdrukkelijke vermelding van het aantal cursusuren

3° Een aanwezigheidslijst, afgeleverd door de organisator

4° Een bewijs van betaling van de deelname kosten (inschrijvingsgeld, cursusgeld, verblijfkosten e.d.m.)

5° Een rekeningnummer waarop de deelnamepremie kan gestort worden.

Indien de deelnemer niet woont in de gemeente Brakel, moet bovendien een schriftelijk document aan de aanvraag toegevoegd worden, waarin een jeugdorganisatie met zetel in de gemeente Brakel bevestigt dat de betrokkene een actieve medewerker is van haar organisatie.

§20  de aanvraag tot het bekomen van een EHBO - premie dient schriftelijk te gebeuren, ten laatste 1 maand voor de aanvang van het EHBO - vormingsinitiatief en dient de volgende gegevens te bevatten: plaats en datum van het vormingsinitiatief.

Ten laatste 30 november dient een verslag te worden ingediend bij het schepencollege dat de volgende gegevens bevat:

1° Identificatie van het EHBO - vormingsinitiatief

    • Thema
    • Plaats
    • Totaal aantal overnachtingen
    • Aantal inschrijvingen
    • Kostprijs voor de deelnemers

2° Een rekeningnummer van de organiserende vereniging

Hoe wordt de subsidie berekend?

§21 Het bedrag van de deelnamepremie wordt als volgt berekend:

Het beschikbare bedrag wordt verdeeld over alle aanvragen die voor 30 november  van het lopende werkjaar ingediend werden, evenredig met het ingediende bedrag. In geen geval kan de toegekende deelnamepremie hoger zijn dan 75% van het ingediende bedrag. De premie kan niet meer bedragen dan € 150 per persoon per jaar. 

Kadervorming gevolgd na 30 november van het lopende werkjaar is subsidieerbaar in het volgende werkjaar.  

§22 Het bedrag van de EHBO – premie wordt 100 % terugbetaald, met een maximum van €250 per werkjaar.

PERSONEELSSUBSIDIE JEUGDHUIS ALFA (28500 euro)

Doel van de subsidie 

§23 De subsidie heeft tot doel de inzet van personeel te ondersteunen voor het versterken van de reguliere werking van het jeugdhuis, waaronder het begeleiden van bezoekers, het organiseren van activiteiten en het verzekeren van een veilige en inclusieve omgeving voor jongeren. Daarnaast wordt het personeel ingeschakeld voor maatschappelijk werk in de ruimere omgeving van het jeugdhuis, met bijzondere aandacht voor jongeren in kwetsbare situaties, en voor een nauwe samenwerking met welzijnsorganisaties zoals OverKop om noden bij jongeren tijdig te detecteren, passende ondersteuning te bieden en het lokale jeugdwelzijnsnetwerk te versterken. 

§24 Voorwaarden voor de tewerkstelling van een beroepskracht. 

1° Het jeugdhuis zorgt voor een aangepaste accommodatie voor het tewerkstellen van personeel. Een eigen secretariaat is noodzakelijk. 

2° Beroepskrachten kunnen enkel een pedagogische opdracht krijgen en kunnen dus niet ingeschakeld worden als onderhoudspersoneel, barman of -vrouw tenzij occasioneel als methode om jongeren te bereiken. 

3° Bekwaamheidseisen : pedagogisch of sociale opleiding. Ofwel meer dan vier jaar ervaring in het jeugdwerk. De beroepskracht moet een uittreksel uit het strafregister voorleggen. 

4° Men verschaft de beroepskracht de nodige materiële middelen zodat deze zijn taak naar behoren kan vervullen. 

5° Bij de aanwerving wordt in de arbeidsovereenkomst een duidelijke taakomschrijving vastgelegd.

Omschrijving takenpakket 

§25 Het ondersteunen, begeleiden en versterken van jongeren binnen de gemeente, met bijzondere aandacht voor hangjongeren en plaatsen waar sociale spanningen of overlast voorkomen. De sociaal medewerker draagt bij aan het creëren van een veilige, inclusieve en positieve leefomgeving.

Belangrijkste taken en verantwoordelijkheden

§26 De belangrijkste taken en verantwoordelijkheden zijn

1° Individuele begeleiding 

  • Signaleren van noden en problemen bij jongeren en hen te leiden naar gepaste hulpverlening.
  • Ondersteunen bij persoonlijke ontwikkeling (school, werk, vrije tijd, sociale vaardigheden). 

2° Straathoek- en veldwerk 

  • Regelmatig aanwezig zijn op publieke plaatsen en hotspots waar jongeren samenkomen.
  • Contact leggen met hangjongeren en vertrouwen opbouwen.
  • Tussenkomen bij beginnende conflicten en preventief werken rond overlast. 

 3° Preventie & groepsgericht werken 

  • Organiseren en ondersteunen van laagdrempelige activiteiten die jongeren alternatieven bieden.
  • Sensibiliseren rond thema’s zoals druggebruik, geweld, pesten, vandalisme en gezondheid, dit in samenwerking met CGG en de lokale politie.
  • Stimuleren van positieve groepsdynamiek en verantwoordelijkheid bij jongeren. 

 4° Netwerk en samenwerking 

  • Nauw samenwerken met scholen, politie, jeugdverenigingen, sportclubs en welzijnsorganisaties zoals OverKop.
  • Informatie en signalen doorgeven aan collega’s en partners, steeds met respect voor privacy.
  • Bijdragen aan gemeentelijk beleid rond jeugd, veiligheid en preventie. 

§26 De beheerders van het jeugdhuis beslissen autonoom over de aanwerving van de beroepskracht. Bij ontslag meldt het jeugdhuis dit onmiddellijk aan het gemeentebestuur via de jeugddienst. 

§27 Ondersteuning door het gemeentebestuur 

1° Erkenning van de werking. 

2° voorzien van een wedde- en werkingstoelage 

3° Subsidiëring gebeurt via een voorschottensysteem zodat het jeugdhuis zijn verplichting tegenover zijn werknemer kan nakomen: 

4° Bij indiensttreding moet het jeugdhuis de wettelijke verplichtingen ten aanzien van de officiële instanties (R.S.Z., pensioen, ...) en ten aanzien van de werknemer (arbeidsovereenkomst, ...) naleven. 

5° Tijdens de duur van de overeenkomst moet het jeugdhuis het loon uitbetalen, loonwaarborgen, arbeidswet, C.A.O.'s naleven. Afhoudingen voor de sociale zekerheid en bedrijfsvoorheffing voorzien en aangifte aan het kinderbijslagfonds doen. 

6° Het jeugdhuis bezorgt de werknemer per betaalperiode een loonafrekening en per jaar een bijdragebon RIZIV een afschrift van loonfiche 281.10 en een afschrift van de individuele rekening.  

§28  Controle 

De Jeugddienst kan te allen tijde het jeugdhuis inspecteren, desgewenst bijkomende informatie opvragen en de verstrekte gegevens op hun juistheid laten onderzoeken. Het jeugdhuis moet, binnen de perken van dit reglement, aanvaarden zo nodig bijkomende verantwoording af te leggen ten aanzien van het gemeentebestuur.

JEUGDCULTUUR EN -PROJECTEN (8000 euro) 

§29  Binnen de perken van de kredieten, daartoe goedgekeurd op de begroting van de gemeente Brakel, kunnen door het schepencollege subsidies worden verleend voor jeugdcultuur & - projecten  volgens de regeling en voorwaarden die hierna worden vastgesteld. 

§30  Met jeugdcultuur wordt bedoeld alle initiatieven die gericht zijn naar jongeren tot maximum 30 jaar en naar een meerwaarde streven in het culturele leven en niet behorend tot de reguliere werking van de initiatiefnemer. Zodanig behoren fuiven en eetfestijnen niet tot jeugdcultuur. Daarnaast moeten de initiatieven doorgaan op het grondgebied van de gemeente Brakel. 

§31  Met jeugdprojecten wordt bedoeld alle projecten die gericht zijn naar jongeren tot maximum 30 jaar en naar een meerwaarde streven in het sociale of maatschappelijke leven en niet behorend tot de reguliere werking van de initiatiefnemer. Zodanig behoren fuiven en eetfestijnen niet tot jeugdprojecten. Daarnaast moeten de projecten doorgaan op het grondgebied van de gemeente Brakel. 

Wie kan worden gesubsidieerd? 

§32  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring moet de initiatiefnemer een jeugdvereniging of jongere zijn, die gevestigd is of woont in de gemeente Brakel. 

Hoe gebeurt de aanvraag en toekenning? 

§33  De aanvraag dient schriftelijk te gebeuren en de volgende gegevens te bevatten: 

1° De omschrijving van het jeugdcultuurinitiatief of jeugdproject, met de vermelding van o.m. het thema, de doelgroep de duur, de wijze van begeleiding

2° Een gedetailleerde begroting 

3° Een rekeningnummer van de vereniging of individu 

§34 De aanvragen moeten minstens 1 maand voor de aanvang van het project ingediend worden. Uiterlijk op 30 november moet een werkingsverslag en een financieel verslag bij het schepencollege worden ingediend. 

De betaling van  jeugdcultuurinitiatieven en jeugdprojecten wordt ten laste genomen van de kredieten van het lopende kalenderjaar, indien het project aanvangt voor 1 december van het lopende kalenderjaar; projecten die aanvangen na 1 december van het lopende kalenderjaar worden betoelaagd met de kredieten, daartoe goedgekeurd op de begroting van het volgende kalenderjaar. 

§35  Alle aanvragen worden chronologisch behandeld tot uitputting van het begrotingskrediet; daarna worden de aanvragen op een chronologische wachtlijst geplaatst om eventueel tijdens het volgend begrotingsjaar te behandelen. 

§36  Volgende posten kunnen in aanmerking komen voor subsidiëring: 

1° Administratie – en werkingskosten 

2° Materiaalkosten 

Hoe wordt de subsidie berekend? 

§37  Binnen de perken van het begrotingskrediet, bedraagt de subsidie 100% met een maximum van de helft van de subsidiepot van de voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven. 

Het schepencollege bepaalt op grond van het ingediende aanvraagdossier het voorlopig subsidiebedrag en het bedrag van de voorschotten. 

Onmiddellijk na de goedkeuring van het project verleent het schepencollege een voorschot van 60% op de vermoedelijke subsidie. 

Het subsidiesaldo wordt betaald na ontvangst van het werkingsverslag en het financieel verslag. De definitieve vastlegging van het subsidiebedrag zal worden vastgelegd op basis van het financieel verslag en het werkingsverslag.

INFRASTRUCTUUR, TENTEN EN PREVENTIE (28500 EURO)

§38  Binnen de perken van het krediet, daartoe goedgekeurd op jaarlijkse begroting van de gemeente Brakel, wordt door het schepencollege een toelage verleend voor infrastructuurwerken verricht aan de lokalen gevestigd op het grondgebied van Brakel en die ter beschikking staan van de Brakelse jeugdverenigingen.

§39 Onder infrastructuurwerken wordt bedoeld: het bouwen, verbouwen, restaureren, onderhouden, herstellen of inrichten van gebouwen die ter beschikking worden gesteld van erkende of gesubsidieerde jeugdverenigingen. Deze infrastructuurwerken moeten uitgevoerd zijn tussen 1 december en 30 november. Zijn in elk geval van subsidiëring uitgesloten: leninglasten, huurlasten en de aankoop van gebouwen.

§40 Onder de aankoop en herstelling van tenten wordt bedoeld: de aankoop en herstellingen van tenten die specifiek gebruikt zullen worden voor jeugdkampen of initiatieven van erkende jeugdorganisaties. De tent bestaat uit zeilen en de draagstructuur. De tenten moeten aangekocht/hersteld worden tussen 1 december en 30 november. Zijn in elk geval van subsidiëring uitgesloten: iglo’s, campingtenten, éénpersoons- en tweepersoonstenten, toebehoren van tenten (piketten, stormkoorden, grondzeilen,….)

§41 Onder preventie wordt verstaan: alle preventieve maatregelen die genomen worden in gebouwen/jeugdlokalen die ter beschikking worden gesteld van erkende of gesubsidieerde jeugdverenigingen die de veiligheid verhogen. Deze uitgevoerde werken moeten uitgevoerd zijn tussen 1 december en 30 november.

Hoe gebeurt de aanvraag?

§42 De aanvragen dienen eerst op de jeugdraad voorgelegd te worden en ten laatste op 31 augustus ingediend te worden en volgende gegevens bevatten:

1° Een omschrijving van de uitgevoerde en/of uit te voeren infrastructuurwerken, aan te kopen tenten of preventieve maatregelen

2° Een raming van de kosten van de uit te voeren werken;

3°  Een rekeningnummer van de vereniging.

§43 Uiterlijk voor 30 november moet een verslag bij het schepencollege worden ingediend dat de volgende gegevens bevat:

1°  Een beschrijving van de uitgevoerde infrastructuurwerken, aan te kopen tenten of preventieve maatregelen

2°  Een overzicht van de gemaakte kosten;

3° Een kopie van de bewijsstukken (factuur) die de gemaakte kosten kunnen staven;

Hoe wordt de subsidie berekend?

§44 Het schepencollege berekent de toelage voor infrastructuurwerken als volgt:

1° Het krediet wordt verdeeld onder de jeugdverenigingen die voor 31 augustus een volledig aanvraagdossier hebben ingediend voor subsidieerbare infrastructuurwerken, aankoop van tenten en preventieve maatregelen.

2° De toelage kan nooit hoger zijn dan de effectief gemaakte en bewezen kosten; bovendien kan per jeugdvereniging het subsidiebedrag nooit meer zijn dan  1/3 van het totale voorziene bedrag bedragen, tenzij er een bijzondere overeenstemming gevonden wordt binnen de jeugdraad en dat het gaat om een zeer dringende absolute noodwendigheid van een vereniging.

3° De berekening van de toelage gebeurt in 2 stappen: eerst wordt een voorlopige toelage berekend op basis van de aanvraagdossiers ; de definitieve toelage wordt berekend op basis van verslagdossiers 

4°  Voor de berekening van de voorlopige toelage wordt de volgende formule gehanteerd:

Het krediet vermenigvuldigd met de breuk waarvan de teller het bedrag is van de geraamde kosten vermeld door de jeugdvereniging in het aanvraagdossier (cfr. art. 5) en de noemer de som is van de geraamde kosten van alle jeugdverenigingen die een aanvraagdossier hebben ingediend. Het bedrag van de voorlopige toelage kan echter niet hoger zijn dan 9500 euro, tenzij er een bijzondere overeenstemming gevonden wordt binnen de jeugdraad en dat het gaat om een zeer dringende absolute noodwendigheid van een vereniging.

5° Voor de berekening van de definitieve toelage wordt de volgende formule gehanteerd:

Het krediet vermenigvuldigd met de breuk waarvan de teller het bedrag is van de gemaakte kosten, vermeld door de jeugdvereniging in het verslagdossier (cfr. art. 6) en de noemer de som is van de gemaakte kosten van alle jeugdverenigingen die een verslagdossier hebben ingediend. Het bedrag van de definitieve toelage kan echter niet hoger zijn dan 9500 euro, tenzij er een bijzondere overeenstemming gevonden wordt binnen de jeugdraad en dat het gaat om een zeer dringende absolute noodwendigheid van een vereniging.

Hoe gebeurt de toekenning van subsidies?

§45  Tijdens de maand september bepaalt het schepencollege op grond van de ingediende aanvraagdossiers de voorlopige toelage en het bedrag van de voorschotten.

Onmiddellijk na de goedkeuring van de ingediende aanvraag verleent het college als voorschot een schijf van 80% op de voorlopige toelage. De berekening van de definitieve toelage zal gebeuren in de maand december op basis van alle overeenkomstig art. 6 ingediende verslagen. Onmiddellijk na de goedkeuring van de ingediende verslagdossiers en in elk geval voor 31 december wordt aan elke jeugdvereniging het subsidiesaldo, zijnde het verschil tussen enerzijds het voorschot op de voorlopige toelage en anderzijds de definitieve toelage uitbetaald.

WERKINGSSUBSIDIE (4500 EURO)

§46  Binnen de perken van het krediet, daartoe goedgekeurd op de jaarlijkse begroting van de gemeente Brakel, wordt door het schepencollege een toelage verleend voor de werking door Brakelse jeugdverenigingen.

§47 Onder werkingssubsidie wordt bedoeld de ondersteuning van jeugdwerk voor het werven en behouden van leden binnen het jeugdwerk in Brakel.

Wie kan worden gesubsidieerd?

§48 Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moet de jeugdvereniging voldoen aan de algemene voorwaarden, namelijk: 

1° Om gemeentelijke subsidies te ontvangen moet de Brakelse jeugdvereniging jaarlijks erkend worden door het college van burgemeester en schepenen. De jeugdraad en de jeugddienst brengen hierover telkens de eerste algemene vergadering na 1 september advies uit aan het gemeentebestuur. 

2° Om als jeugdvereniging erkend te worden, moet aan alle onderstaande voorwaarden voldaan zijn: 

  • de vereniging is een jeugdvereniging: 60% van het totaal aantal leden moet jonger zijn dan 25 jaar en er moet een minimum zijn van 20 leden;
  • de zetel en de lokalen van de vereniging bevinden zich in Brakel;
  • minstens 50% van de leden woont in Brakel;
  • de vereniging organiseert een of meerdere activiteiten (vergaderingen, voorbereidingsvergaderingen en dergelijke meer worden niet meegerekend) per jaar in Brakel;
  • inspraak van jongeren in de organisatie is verzekerd;
  • minstens één jaar werking kunnen aantonen. 

3° Opstartende verenigingen kunnen een voorlopige erkenning krijgen. Zij moeten hiervoor eveneens aan de voorwaarden van punt 2 voldoen. Wat het aantal activiteiten betreft, moeten ze aantonen dat ze van plan zijn minstens 8 activiteiten - gespreid over hun werkjaar - te organiseren. Wanneer het volgende werkjaar blijkt dat zij toch niet aan deze voorwaarden voldaan hebben, worden zij niet opnieuw erkend. 

§49  Het totaal voorziene subsidiebedrag wordt op 1 december van het lopende kalenderjaar verdeeld volgens het aantal jeugdverenigingen; de werkingsperiode loopt van 1 december van het voorafgaandelijk kalenderjaar tot en met 30 november van het lopende kalenderjaar.  

Hoe gebeurt de aanvraag en toekenning? 

§50  De aanvragen dienen voor 30 november  ingediend te worden bij het schepencollege en moeten volgende gegevens bevatten: gegevens bevatten: 

1° Bewijs van verzekering; 

2° Betalingsbewijs verzekering; 

3° Overzicht activiteiten van het werkjaar; 

4° Rekeningnummer van de vereniging.

WERKINGSMIDDELEN JEUGDRAAD (6000 euro) 

§51   Binnen de perken van het krediet, daartoe goedgekeurd op de jaarlijkse begroting van de gemeente Brakel, wordt door het schepencollege een toelage verleend voor de werking van de Brakelse jeugdraad 

§52 Onder werkingsmiddelen wordt bedoeld de ondersteuning van: 

1° vergaderingen van werkgroepen en algemene vergaderingen 

2° voor promotie van de jeugdraad 

3° voor het organiseren van activiteiten van de jeugdraad 

4° onderhouden van digitale toepassingen 

5° werven en behouden van leden binnen het jeugdwerk in Brakel 

6° om deelname aan activiteiten van de jeugdraad aan te moedigen 

7° aankoop materiaal voor de uitbouw van de uitleendienst 

8° opstartbedrag voor nieuwe erkende verenigingen 

§53 De betaling gebeurt telkens door de financiële dienst in februari.

TITEL 7 Lokale economie

Hoofstuk 17

Artikel 15

TITEL 8 Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

Artikel 15: Dit reglement treedt in werking op 1 maart 2025.

Artikel 16: Onderstaand reglement wordt opgeheven vanaf 1 maart 2025

1° Het besluit van de gemeenteraad dd. 24 maart 2024 betreffende "algemeen subsidiereglement"

2° Het besluit van de gemeenteraad dd. 3 september 2020 betreffende "algemeen subsidiereglement jeugd"